De eukaryotische cel - De wereld onder de microscoop

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

De eukaryotische cel

Preparaten > Theorie

Download deze pagina als .pdf , klik hier


Bronvermelding:
1  Theorie: Junqueira L.C. en Carneiro J. (2004, tiende druk), Functionele histologie, Maarssen. Uitgeverij Elsevier. Hoofdstuk 3, 'De cel'.
2  Wikipedia, de vrije encyclopedie, http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina



Inleiding¹


Alle levende organismen zijn opgebouwd uit één of meer celtypen. In meercellige organismen² zijn verschillende celtypen verenigd in weefsels en organen, waarin ook extracellulaire matrix² (ECM) en interstitiële vloeistof² voorkomen. Een cel kan worden gedefinieerd als: 'de kleinste, georganiseerde levende eenheid binnen een organisme, die dankzij een ingewikkeld metabolisme² min of meer onafhankelijk kan bestaan in een fysiologische omgeving en die in staat is tot beweging, groei en deling door mitose'. Qua organisatieniveau bevindt de cel zich tussen het niveau van de moleculen en dat van de weefsels, in een reeks die bij de indeling van biomedische disciplines als volgt kan worden gedefinieerd: moleculen, cellen, weefsels, organen, individuen en maatschappij. Verschillende celtypen kunnen tezamen als bouwstenen van een weefsel functioneren. In het menselijk lichaam zijn meer dan tweehonderd verschillende celtypen geteld. Cellen bereiken leeftijden van enkele dagen tot zo lang als een organisme leeft. Zij kunnen vervangen worden, en zijn ook voortdurend bezig met de vervanging van hun organellen en opbouwende bestanddelen, de eiwitten, lipiden² en koolhydraten² en combinaties van deze moleculen. De synthese² van eiwitten en enzymen² die hiervoor nodig is, wordt bepaald door de informatie afkomstig van het genoom².

Alle cellen zijn via mutatie en selectie tijdens de evolutie ontstaan uit een primitieve oercel. Eencellige organismen, zoals bacteriën en protozoën², hebben zich aan de meest verschillende omstandigheden aangepast en vormen meer dan de helft van de biomassa² op aarde. Bij eencelligen moeten alle functies door één cel worden uitgevoerd. In een meercellig organisme kunnen de cellen zich door de expressie van verschillende delen van hun genoom differentiëren².
De celtypen hebben een verschillende structuur en functie, en kunnen met hun verschillende functies een complementaire samenwerking onderhouden. Hierdoor kunnen meercellige organismen complexere taken vervullen dan eencelligen, zodat zij een evolutionair voordeel hebben. De ontwikkeling van deze complexiteit zien wij steeds weer versneld herhaald bij de ontwikkeling van een embryo² uit de bevruchte eicel.

Een belangrijke stap in de evolutie is de ontwikkeling van eukaryotische cellen, waarbij onder andere het DNA² werd gescheiden van het cytoplasma en opgeborgen in een kern, omgeven door een kernmembraan. Voor een overzicht van de belangrijkste verschillen tussen prokaryotische- en eukaryotische cellen, zie tabel 1-1 en figuur 1-2.


Tabel 1-1 Belangrijke verschillen tussen eukaryotische- en prokaryotische cellen.

Eukaryotische cel (protozoa, wieren, alle cellen van metazoa en metaphyta)

Prokaryotische cel (bijvoorbeeld bacteriën, blauwalgen)

Unicellulair of multicellulair

Uitsluitend unicellulair

Diameter 5 - 100 µm

Diameter 0,5 - 10 µm

Kern (door kernomhulsel van het overige gedeelte van de cel afgesloten) bevat genetische informatie van complex georganiseerde chromosomen bestaande uit DNA + eiwitten

Genetische informatie in circulair DNA dat in de cel gelegen (nucleoïd, genofoor)

RNA-synthese in kern, eiwitsynthese in cytoplasma, nucleoli in de kern aanwezig

RNA en eiwit gesynthetiseerd in hetzelfde compartiment, geen nucleoli

Cytoplasma met cytoskelet dat bestaat uit eiwitten

Geen cytoskelet, organellen nauwelijks of niet ontwikkeld

Organellen met gespecialiseerde functie in cytoplasma

 

Deling door mitose of meiose

Deling via doorsnoering

In principe aëroob metabolisme

Anaëroob of aëroob metabolisme




Figuur 1-2 Schematische illustratie van een bacterie (A, prokaryotische cel) en een zoogdiercel (B, eukaryotische cel).





Klik voor een vergroting

A;  De bacterie staat op het punt te delen, nadat het nucleoïd (N) is verdubbeld. De celmembraan is meervoudig en het cytoplasma bevat geen organellen.
B;  De veel grotere eukaryotische cel, die op een andere schaal is getekend, toont veel organellen of compartimenten, die door een membraan van het cytoplasma zijn afgescheiden. Men herkent een kern (N) met een kernlichaampje of nucleolus, het ruw endoplasmatisch reticulum (R), het Golgi-apparaat (G) en mitochondriën (M). De cel fagocyteert² een bacterie (B), die na opname in de lysosomen zal worden verteerd.


Eukaryotische cellen zijn omgeven door een celmembraan en bevatten organellen, als aparte, gespecialiseerde compartimenten van de cel. De celmembraan wordt soms ook plasmamembraan of plasmalemma genoemd. Organellen zijn door een membraan van het omringende cytoplasma gescheiden en hebben elk hun specifieke structuur en werking. Prokaryotische cellen missen deze organisatie en zijn daardoor minder gedifferentieerd. Eukaryotische cellen zijn ontstaan uit prokaryoten, toen op aarde de zuurstofconcentratie begon toe te nemen. De grootte van een eukaryotische cel kan sterk variëren, van 3-5 µm² tot meer dan 100 µm. De cellen van een olifant zijn niet groter dan de overeenkomstige cellen van de muis, maar de olifant heeft er wel meer. Cellen met een gelijke functie hebben doorgaans ook een zeer vergelijkbare structuur. Cellen met een gelijke structuur hebben vrijwel altijd een vergelijkbare functie. Bij het overschrijden van een zekere 'kritische massa' zal een cel gaan delen (mitose). Deze kritische massa is ongelijk voor verschillende celtypen, en soms ongelijk voor een cel in verschillende levensfasen. Cellen kunnen fuseren en vormen dan een syncytium, een veelkernige cel. Veelkernige cellen kunnen ook ontstaan na kerndeling (karyokinese), waarbij het delen van het cytoplasma (cytokinese) achterwege blijft, zodat een symplasma ontstaat.



Onderdelen van de cel
¹

In de kern van een cel, die alleen bij rode bloedcellen en bloedplaatjes ontbreekt, ligt de genetische informatie in intacte, maar niet-gecondenseerde chromosomen opgeslagen. De cel, als geheel, bestaat uit het protoplasma, terwijl onder cytoplasma het deel van de cel buiten de kern wordt verstaan. In het cytoplasma vinden we de volgende organellen, die belangrijke compartimenten van de cel vormen:
1. mitochondriën, die verantwoordelijk zijn voor het leveren van energie;
2. endoplasmatisch reticulum, dat instaat voor de eiwitsynthese²;
3. Golgi-complex, dat een rol speelt bij de vorming van secretiegranula;
4. lysosomen, die de intracellulaire vertering verzorgen.

Alle organellen worden omgeven door een membraan en bevatten specifieke enzymen die hun functie ondersteunen.


Het cytoplasma¹

Door de indeling van het protoplasma in aparte compartimenten, zoals gevormd door de organellen, kunnen uiteenlopende metabole processen parallel verlopen (bijvoorbeeld synthese naast afbraak). De organellen en insluitsels van het cytoplasma zijn ingebed in het cytosol, de vloeibare basissubstantie van het cytoplasma. De insluitsels vormen tijdelijke bestanddelen van het cytoplasma, en kunnen bestaan uit kleine ophopingen van lipiden, koolhydraten (glycogeen) of pigmentkorrels. Naast de organellen en insluitsels is er nog het cytoskelet, onder andere bestaande uit centriolen, microfilamenten, intermediaire filamenten en microtubuli.


De celmembraan¹

De plasmamembraan of celmembraan is samengesteld uit fosfolipiden, cholesterol, eiwitten en glycoproteïnen. De plasmamembraan fungeert als een selectieve barrière, die de permeabiliteit en het transport tussen het cytoplasma en het extracellulair milieu regelt. Daarbij kan de membraan passief stoffen doorlaten of met verbruik van energie (actief) stoffen over de membraan transporteren. De plasmamembraan en de daarop aanwezige celcoat of glycocalix hebben een functie bij het herkennen en eventueel aanhechten van stoffen, deeltjes en naburige of vreemde cellen. De plasmamembraan en het cytoskelet spelen ook een rol bij de voortbeweging van cellen.



 
 

Alle membranen van de cel tonen een eenheidsstructuur (unit membrane), voornamelijk  opgebouwd door een fosfolipide-dubbellaag, die in een transmissie-EM-opname² als twee parallelle lijnen met een afstand tussen 5 en 10 nm tot uitdrukking komt (fig 1-3). In zo'n membraan liggen de hydrofobe staarten van de fosfolipiden² naar elkaar  toe, en de hydrofiele delen vormen de buitenlaag van de membraan. Membranen zijn min of meer vloeibaar, dat wil zeggen dat een groot deel van de moleculen in de membraan vrij beweeglijk is. Men kan deze 'fluïditeit' met bepaalde methoden meten.

Mitochondriën¹

Mitochondriën zijn in levende cellen zichtbaar met fasecontrastmicroscopie². Zij komen voor in alle eukaryotische cellen en kunnen soms tot bijna de helft van het cytoplasmavolume innemen, maar meestal is dit veel minder. Het aantal mitochondriën per cel varieert van cel tot cel en hangt af van de energiebehoefte. Bloedlymfocyten hebben er enkele tientallen, maar een parenchymcel van de lever heeft er 2-3000, terwijl een eicel er enkele honderdduizenden heeft. Mitochondriën zijn meestal langwerpig, kunnen soms vertakken, en hebben afmetingen van 0,5 tot enkele µm.

Mitochondriën verplaatsen zich in de cel en kunnen aanzienlijke vormveranderingen ondergaan. Mitochondriën kunnen ook splitsen en fuseren. Mitochondriën zetten de chemische energie van metabole stoffen om in ATP². Uit ATP kan overal in de cel gemakkelijk energie worden vrijgemaakt voor enegieverbruikende processen , zoals osmotische, mechanische, elektrische of chemische arbeid, ionentransport of signaaltransductie. Mitochondriën kunnen zich op een plaats in het cytoplasma concentreren, namelijk daar waar veel energie wordt verbruikt, zoals in het apicale cytoplasma van trilhaarcellen, het middensegment van spermatozoa of het basale cytoplasma van ionentransporterende cellen.
De structuur van het mitochondrium komt in een electronenmicroscoop goed tot uitdrukking (figuur 1-4). Mitochondriën bezitten een buiten- en een binnenmembraan, die sterk is vergroot en geplooid tot zogenaamde cristae. De cristae zijn meestal bladvormig, hoewel er ook buisvormige cristae voorkomen en steroïd²-vormende cellen. De dubbele membraan van het motochondrium verdeelt het organel in een aantal verschillende compartimenten en oppervlakten, die verschillende functies bezitten:
1. de buitenmembraan;
2. de intermembranaire ruimte, dat is het compartiment tussen de buiten- en de binnenmembraan;
3. het intramembranaire oppervlak van de binnenmembraan met de cristae;
4. de matrix

De buitenmembraan bevat eiwitten voor transport en omzetting van substraten², en is tamelijk permeabel, zodat de samenstelling van de intermembranaire ruimte grotendeels overeenkomt met die van het cytoplasma. De binnenmembraan is minder permeabel, bestaat voor driekwart uit eiwitten, waaronder transporteiwitten en de enzymcomplexen van de ademhalingsketen. Sommige van deze enzymen kunnen als bolvormige elementaire lichaampjes zichtbaar worden gemaakt in een EM. Soms zijn matrixkorrels te zien, die bij analyse calcium- en magnesiumzouten blijken te bevatten of behoren tot de mitochondriale ribosomen. In het mitochondrium worden energiebevattende grondstoffen afgebroken door de enzymen van de citroenzuurcyclus² (Krebs-cyclus). De energie die dan vrijkomt, wordt gebruikt voor de oxidatieve fosforylering. ATP is het eindproduct, terwijl CO2 en water vrijkomen. De enzymen die ATP produceren, bevinden zich in de binnenmembraan, terwijl de matrix enzymen bevat voor de citroenzuurcyclus. In het bruine vetweefsel kunnen mitochondriën de oxidatieve fosforylering² en het elektronentransport ontkoppelen en komt de energie vrij als warmte. Cellen met een hoge metabole activiteit (bijvoorbeeld hartspiercellen of cellen van de niertubuli) hebben veel mitochondriën met dicht opeengepakte cristae, terwijl cellen met een lage metabole activiteit een gering aantal mitochondriën met weinig, korte cristae bezitten.
Mitochondriën bevatten in hun matrix een kleine hoeveelheid circulair, dubbelstrengs DNA, dat niet met histonen² is gecomplexeerd. Dit DNA verzorgt, via tRNA en ribosomen, eigen eiwitsynthese, die onafhankelijk is van het nucleaire DNA. Deze synthese is slechts toereikend voor ongeveer 10% van de mitochondriale eiwitten; de rest van de eiwitten wordt in het nucleaire DNA gecodeerd en wordt van het cytoplasma naar het mitochondrium getransporteerd. Bij de celdeling worden mitochondriën min of meer gelijk verdeeld over de dochtercellen, die daarna het bestand aanvullen. Vermeerdering van mitochondriën vindt plaats door splitsing, groei en DNA-duplicatie. Het feit dat mitochondriën een eigen circulair DNA en ribosomen bevatten, doet denken aan de situatie bij bacteriën. Dit heeft geleid tot de zogenoemde endosymbiont-hypothese, die stelt dat mitochondriën afstammen van bacteriën die tijdens de evolutie in symbiose² in het cytoplasma van eukaryoten zijn opgenomen.

 

Figuur 1-4 TEM opname van een mitochondrium in een pancreascel
van een rat.De dubbele membraan en de cristae (C) van de mitochondria (M) zijn duidelijk te zien. Als de cristae niet loodrecht in de coupe zijn georiënteerd, ontstaan in plaats van duidelijke membranen donkere schaduwen (rechts-onder). Het RER  is in deze cellen sterk ontwikkeld vanwege de zeer grote productie van spijsverteringsenzymen.

Top     Next

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu