|
|
|
Bronvermelding:
1 Theorie: Junqueira L.C. en Carneiro J. (2004, tiende druk),
Functionele
histologie,
Maarssen. Uitgeverij Elsevier. Hoofdstuk 13, vanaf pag. 297,
'Bloed en bloedcellen'.
2 Afbeelding: Prof. Dr. med. Max Clara (1974), Atlas der
normalen mikroskopischen Anatomie des Menschen, Uitgeverij Urban&Schwarzenberg.
pag. 271, 'Die korpuskulären Bestandteile des peripheren
Blutes'.

Doel van preparaat: Uitstrijk maken van menselijk bloed,
preparaat kleuren en de verschillende bloedcellen benoemen.
Inleiding¹
Bloed is een vloeistof waarin cellen zijn gesuspendeerd; het bevindt
zich in een gesloten circulatiesysteem, waar het -door de ritmische contracties
van het hart- in één richting doorheen stroomt.
Bloed kan beschouwd worden als een bijzondere vorm van bindweefsel met vloeibare
tussenstof. Bloed bestaat
uit een vloeibare fase, het bloedplasma en de bloedcellen, te weten:
1 de erytrocyten of rode bloedcellen;
2 de leukocyten of witte bloedcellen;
3 de trombocyten of bloedplaatjes.
Wanneer bloed buiten het circulatiesysteem komt, stolt het, waarbij fibrinogeen
uit het bloedplasma een netwerk
van fibrinevezels vormt, waarin de bloedcellen gevangen worden. De heldere
vloeistof die vrijkomt naarmate de
stolling
voortschrijdt, heet serum.
Serum verschilt van bloedplasma doordat de stollingseiwitten eruit verwijderd
zijn.
Bloed dat door anticoagulantia (heparine, citraat, enzovoort) onstolbaar is
gemaakt, wordt bij centrifugeren in drie lagen gescheiden. De verhoudingen van
het volume van de cellen (hoofdzakelijk erytrocyten) tot het totale bloedvolume
noemt men de hematocriet.
Normaalwaarden zijn: 40 a 50% bij mannen, 35 a 45% bij vrouwen, ongeveer 35% bij
kinderen tot tien jaar en 45 a 60% bij pasgeborenen.
Boven in de hematocrietbuis verzamelt zich het bloedplasma. het is een
doorzichtige, soms iets gelige, licht viskeuze vloeistof. Onder in de
hematocrietbuis bevinden zich de bloedcellen, die in twee lagen gescheiden zijn.
De onderste laag is rood en bestaat uitsluitend uit erytrocyten. De dunne
hierboven gelegen laag is grijswit en bestaat uit leukocyten. Deze wordt als
buffy coat aangeduid.De scheiding komt tot stand doordat de leukocyten een
geringere dichtheid hebben dan de erytrocyten. Boven de laag leukocyten bevindt
zich een laagje trombocyten, dat onder normale omstandigheden niet met het blote
oog zichtbaar is.
- Erytrocyten¹
De erytrocyten (rode bloedcellen) zijn vooral betrokken bij het transport
van O2 en CO2. Dit geschiedt in
 |
|
EM opname van erytrocyten |
hoofdzaak door binding aan het hemoglobine in de
erytrocyten.
Daarnaast kan CO2 ook binden aan de andere eiwitten van de erytrocyten en
bevindt het zich in opgeloste vorm in het plasma, als CO2 of HCO3-.
Zoogdiererytrocyten hebben geen kern; bij de mens zijn het biconcave schijfjes
met een doorsnede van gemiddeld 7,5um. Waarnemingen in vivo (in het levende
wezen) hebben aangetoond
dat een erytrocyt in een nauwe capillair (kleinste bloedvat in het lichaam) of
bij het passeren van een vertakking in het capillaire stelsel een sterke
vervorming ondergaat, waarbij
hij vaak komvormig wordt. Aangezien erytrocyten gemakkelijk vervormbaar zijn,
blijft de viscositeit van het bloed als geheel vrij laag, ondanks het feit dat
het
voor bijna de helft uit cellen bestaat.
- Leukocyten¹
De witte bloedcellen (leukocyten) kunnen als volgt worden ingedeeld.
Granulocyten en agranulocyten (bepalend is de
aanwezigheid van granulaat).
Tot de granulocyten kunnen worden gerekend:
A. neutrofiele granulocyten
B. eosinofiele granulocyten
C. basofiele granulocyten
Tot de agranulocyten worden gerekend:
D. monocyten
 |
|
Afbeelding uit
: Atlas der normalen
mikroskopischen Anatomie des Menschen |
E. lymfocyten
A. Neutrofiele granulocyt¹
Neutrofiele granulocyten ontwikkelen zich in het beenmerg en worden bij een
zekere rijpingsgraad aan de circulatie afgegeven. De kernen van alle
granulocyten hebben een wandstandig chromatinepatroon (chromatine ligt tegen de
wand van de kern). Bij een neutrofiel bestaat de kern uit 2 tot 5 segmenten
verbonden door chromatinebruggen. Het aantal segmenten loopt parallel met de
leeftijd van de cel. Bij hypersegmentie heef het merendeel van de neutrofielen
meer dan 5 segmenten. Bij
bepaalde anomalieën (afwijkingen)
kan dit ook bij jonge cellen optreden.
Bij vrouwen kan het inactieve X-chromosoom zichtbaar zijn als een uitsteeksel
van een van de kernlobben (drumstick-fenomeen, lichaampje van Barr). Een onrijpe
neutrofiel heeft een staafkern (hoefijzer vorm).
B. Eosinofiele granulocyten¹
Het heeft een karakteristieke tweelobbige kern. ER, mitochondriën en
Golgi-apparaat zijn in de rijpe cel weinig ontwikkeld. In het cytoplasma zitten
grote ovale specifieke granula (200 per cel)
die sterk met eosine kleuren.
Het internum bevat het major basic protein (MBP),
 |
|
EM opname van een eosinofiele granulocyt.
EG=granulaat, N=Nucleus |
dit vormt 50% van het totale
eiwit van de granula. Het speelt een belangrijke rol bij het doden van wormen en
parasieten.
Eosinofielen zijn van belang bij het fagocyteren en opruimen van
antigeen-antilichaamcomplexen die zijn gevormd als onderdeel van een allergische
reactie.
C. Basofiele granulocyten¹
De kern is in onregelmatige lobben verdeeld en wordt meestal overschaduwd door
de talrijke en relatief grote specifieke granula.
De korrels zijn onregelmatig van vorm en grootte en tonen een metachromatische
kleurreactie. De granula worden door een membraan omgeven en bevatten heparine
(zuur) en histamine.
Basofielen kunnen leukotriënen genereren, die een trage contractie van glad
spierweefsel veroorzaken.
D. Monocyten¹
De grote kern is nier- tot hoefijzervormig en meestal excentrisch gelegen. Het
chromatine is veel fijner verdeeld dan bij de lymfocyt en bevat 2 à 3 nucleoli.
Het cytoplasma is licht basofiel en bevat kleine niet-specifieke azurofiele
granula (lysosomen).
Het heeft een matig ontwikkeld ruw ER, vrije
polyribosomen, goed ontwikkeld Golgi-complex (aanmaak lysosomale granula),
kleine, langwerpige mitochondriën en verspreide microvilli en pinocytose
blaasjes aan het celoppervlak. Ze komen voor in het perifere bloed, bindweefsel
en lichaamsholten en behoren tot het mononucleaire fagocytensysteem. Via
diapedese dringen ze door de wand van capillairen en venulen, waarna zij in het
bindweefsel tot actieve macrofagen differentiëren. Hierbij neemt het volume en
het aantal lysosomen toe. De halfwaardetijd in het perifere bloed bedraagt
enkele dagen, buiten de bloedbaan is het veel langer. Macrofagen spelen een rol
bij niet-specifieke en specifieke immuniteit. Ze ruimen dode cellen op en kunnen
gefagocyteerde antigenen aanbieden aan B- en T-lymfocyten, zodat deze immuniteit
te weeg kunnen brengen.
E. Lymfocyten¹
Staat aan de basis van de specifieke immunologische afweer, tegen o.a.
micro-organismen, vreemde macromoleculen en mogelijk ook kankercellen. In het
perifere bloed komen vooral kleine lymfocyten (6-9 ?m) voor.
Middelgrote en grote lymofcyten zijn specifiek door antigeen geactiveerde cellen
die verder zullen differentiëren tot effector T- of B-lymfocyten. Kleine
lymfocyten hebben een ronde kern met som een geringe indeuking.
Het chromatine is gecondenseerd in grove brokken heterochromatine en er is een
nucleolus. Het cytoplasma vormt een smalle, licht basofiele zoom om de kern en
bevat alleen wat ribosomen en kleine mitochondriën.
B- en T-lymfocyten hebben een korte verblijfsduur in het bloed. Via speciale
bloedvaten (hoog-endotheelvenulen) in de lymfoïde organen verlaten ze het bloed
om enkele dagen deel uit te maken van de B- en T-celpopulaties van dat orgaan.
Daarna keren ze via efferente lymfevaten of direct (milt) weer terug in het
bloed. Deze recirculatie verhoogt de kans een passend antigeen te ontmoeten
(surveillancefunctie) en het leidt to adequate distributie van ‘memory cellen’.
Producten en functies van bloedcellen¹
|
Celtype |
Belangrijkste
producten |
Belangrijkste
functies |
| Erytrocyt |
Hemoglobine |
CO2- en
O2-transport |
| Leukocyt |
|
Afweer
tegen vreemde materie |
| -
Neutrofiel |
Specifieke
granula en niet-specifieke (azurofiele) granula
(gemodificeerde lysosomen) |
Fagocytose
van bacteriën |
| -
Eosinofiel |
Specifieke
granula, farmacologisch actieve stoffen |
Afweer
tegen parasitaire wormen, modulatie van ontstekingsreactie |
| - Basofiel |
Specifieke
granula (histamine, heparine) |
Afgifte
van histaminen en andere ontstekingsmodulatoren |
| - Monocyt |
Granula
met lysosomale enzymen |
Basis voor
mononucleaire-fagocytensysteem in periferie; fagocytose en
vertering van protozoa, viruspartikels en verouderde cellen |
| -
B-lymfocyt |
Immunoglobulinen |
Vorming
van antilichaamvormende plasmacellen |
| -
T-lymfocyt |
Stoffen
die andere cellen doden; stoffen die de activiteit van
andere leukocyten controleren (interleukinen) |
Doden van
virusgeïnfecteerde cellen |
| Natural
killer cel (heeft geen B- of T-cel-merkers) |
Stoffen
die andere cellen doden; actief zonder voorafgaande
stimulering |
Doden van
sommige virusgeïnfecteerde cellen en tumorcellen |
|
Bloedplaatje |
Stollingsfactoren |
Bloedstolling |
Een fraaie video van een
bacterie fagocyterende granulocyt is her te downloaden. Het is
helaas niet zelf gemaakt maar afkomstig van Youtube. Klik op de
afbeelding om het filmpje te starten.

Bloedcellen:
Kleuring van bloedcellen..................

|