|
|
|
Inleiding
In
tegenstelling tot plantenweefsel is het snijden van dierlijk
weefsel veel lastiger. Dierlijke weefsels laten zich niet zo
eenvoudig snijden. Het materiaal is te week en vervormt
gemakkelijk. Bovendien mogen coupes (plakjes) ten hoogste 10 µm
(1 µm = 1/1000 mm), maar liever nog minder, dik zijn willen
ze geschikt zijn voor bestudering. Zoals plantenweefsel
celwanden bezit heeft dierlijk weefsel geen celwand, het is
daarom niet contrastrijk. Kleuring van het preparaat zal daarom
altijd nodig zijn. Om de vervalprocessen te stoppen zal dierlijk
weefsel altijd moeten worden gefixeerd. De structuur van het
weefsel blijft ongeveer gelijk, maar chemisch verandert er veel.
Het weefsel wordt wat harder, maar snijden is nog steeds niet
goed mogelijk. Het weefsel is stroef. Het gaat bovendien vaak om
kleine stukjes materiaal, die bijna niet vast te houden zijn.
Een goede oplossing voor het snijden is het gebruik van
paraffine. Deze stof laat zich heel goed bewerken maar heeft een
groot nadeel n.l. het is niet oplosbaar in water en bijna alle
dierlijke weefsels bestaan voor een groot gedeelte uit water. Om
die reden wordt in verschillende stappen (50% ethanol, 70%
ethanol, 85% ethanol, 96% ethanol en 100%
isopropanol) het water
verdreven door alcohol (dehydratie). Nadat alle water door
alcohol is verdreven wordt de alcohol op z'n beurt weer
verdreven door een intermedium. Voorbeelden van intermedia zijn:
xylol, butanol, benzol, toluol et cetera. Deze stoffen zijn
wel oplosbaar in paraffine. Nadat tenslotte het intermedium is verdreven door paraffine kan het weefsel worden ingegoten tot een
blokje paraffine. Het ingegoten weefsel kan nu op een microtoom
worden gesneden tot dunne coupes. De flinterdunne coupes worden
vanuit een warmwaterbad op een voorwerpglaasje gebracht of
soms geplakt met een eiwit/glycerol mengsel. Om het preparaat te
kunnen kleuren zal alle paraffine eerst uit de coupes moeten
worden verwijderd omdat de meeste kleurstoffen op een waterige
basis zijn. Dit 'hydrateren' gebeurt in omgekeerde volgorde
zoals boven beschreven dus, eerst wordt met behulp van xylol de
paraffine verwijderd en daarna wordt via een dalende
alcoholreeks een waterige omgeving bereikt. Nu kunnen diverse
kleurmethodes worden toegepast. Na het kleuren kan het preparaat
in principe bekeken worden maar zal het na een paar uur of dagen
niet meer 'goed' zijn. Water maakt namelijk bederf mogelijk,
aangezien er micro-organismen in kunnen leven. Inbedden in
(kunst)hars maakt preparaten zeer lang (decennia tot eeuwen)
houdbaar. De kunsthars die hiervoor wordt gebruikt laat zich
echter niet in water oplossen zodat het preparaat opnieuw ontwatert
moet worden. Hiervoor wordt opnieuw een stijgende alcoholreeks
toegepast (50% ethanol, 70% ethanol, 85% ethanol, 96% ethanol en
100% isopropanol) die meestal eindigt in een xylol omgeving. Nu
kan de kunsthars worden opgebracht waarna een dekglaasje het
preparaat definitief afsluit. Het preparaat kan al wel worden
bestudeerd maar het duurt nog enkele weken voordat de hars
volledig is uitgehard. Laatste fase bestaat uit het afwerken van
het preparaat, etiketteren en documenteren. De
volgende tekst gaat dieper in op de histologie.
Histologie
Wat is histologie? Histologie betekent
letterlijk, weefselleer. Om met een lichtmicroscoop
dierlijke weefsels, zoals long, hart of nieren op celniveau
te kunnen bestuderen is het noodzakelijk om het weefsel
eerst te fixeren (stoppen van chemische processen), er zeer
dunne plakjes van te snijden, ze op een stevige ondergrond
te bevestigen, ze op speciale manieren te kleuren en
bovendien "houdbaar" te maken. Er is dan een zogenaamd
preparaat gemaakt. Het maken van een preparaat, dat later
bestudeerd kan worden, wordt histologische techniek genoemd.
Dit hele proces wordt altijd in een vast patroon afgewerkt.
1.
Weefsel uitnemen
2. Fixeren
3. Dehydrateren
4. Inbedden in paraffine
5. Coupes snijden op microtoom
6. Coupes bevestigen op voorwerpglas
7. Hydrateren
8. Kleuren
9. Preparaat houdbaar maken
1.
Weefsel uitnemen

Weefsel moet vooral ‘vers’ zijn.
Na ongeveer 1 uur begint de autolyse (verval) op gang te komen
en is het voor histologische doeleinden minder of niet meer
bruikbaar.
Om aan bruikbaar weefsel te komen kan men gebruik maken van b.v.
vers gevangen vissen, bezoek aan een slachthuis of b.v. zelf
kweken van muizen. Muizen zullen op deze website veelvuldig
worden gebruikt. Reden hiervoor is dat muizen makkelijk te
verkrijgen zijn, het weefsel veelal overeenkomt met menselijk
weefsel en doordat muizen in de wetenschap veel worden gebruikt
is er op internet zeer veel informatie over te vinden in zowel
Histologie alsmede de Pathologie. Wanneer het doel is om
pasgeboren muizen te prepareren is het raadzaam om de zwangere
muis te scheiden van de andere muizen. Vlak na de geboorte zal
het mannetje de jonge muizen doodbijten.
Het is niet zinvol om een dood dier compleet te
fixeren.
Voor de histologische technieken die hier beschreven worden zijn
stukjes weefsel (spier, huid, hart, lever, nier, hersenen etc.)
nodig van enkele mm tot ongeveer twee cm maximaal. Grotere
stukken zijn niet goed (niet snel genoeg) te fixeren en zullen
dus gedeeltelijk vervallen. Een uitzondering hierop is het
fixeren van een compleet embryo van een klein dier zoals dat van
een rat of muis en zelfs een pasgeboren muis is met een speciale
techniek compleet te fixeren. Verderop in dit histologische deel
zal hier op ingegaan worden en in de preparaatpagina's zijn
diverse voorbeelden beschikbaar die de fixatie van een
pasgeboren muis laten zien. Als er een plakje uit een orgaan
wordt gesneden, maak dan een schets van de plaats en de
richting van het plakje. Wat uiteindelijk te zien zal zijn in een preparaat
hangt daar sterk vanaf.
Maak een werktafel en leg alle
materialen en gereedschappen klaar.
Het doden van kleine dieren, zoals hier een muis,
gaat eenvoudig met het toedienen van een met ether doordrenkt
bolletje watten in een afgesloten bakje. Een kort filmpje
van dit deel kan op aanvraag toegezonden worden. De gedode muis
wordt even ondergedompeld in 50% ethanol.
Dit om sterieler te werken en om te voorkomen dat er tijdens de
incisie haren mee naar binnen worden genomen. De muis wordt met
naalden netjes op een stuk stevig schuim opgespannen.
Draag de gehele
periode plastic handschoenen om mogelijke bacteriebesmettingen
te voorkomen. Maak allereerst een oplossing van 9 gram keukenzout
(Natriumchloride) in 1
liter water. Deze oplossing wordt "fysiologische
zoutoplossing" genoemd. Deze stemt redelijk overeen met de
"zoutheid" van weefselvocht. Organen en weefsel kunnen ermee
gespoeld worden. Gebruik nooit kraanwater voor het spoelen van
vers onderzoeksmateriaal. Door de grote verschillen in osmotische waarde zullen de cellen openbarsten.
Gebruik een scalpel, pincet en een verbandschaar. Pak het vel
van borst- of buikholte op en maak een incisie. De spierlaag
wordt dan zichtbaar. Doe daar hetzelfde mee (bij sommige dieren,
zoals vissen, lukt dit niet. Probeer dan meteen door te steken
naar de buikholte). Bij de borstholte zullen de ribben
doorgeknipt moeten worden. Dit kan bij kleinere dieren met een
verbandschaar (bv. muizen). Bij grotere dieren is een blik- of
snoeischaar wenselijk. Bij de borstholte kan door links en
rechts te knippen een soort dekseltje worden losgemaakt. Bij de
buikholte kan de spierlaag open worden geduwd of kunnen er
flappen worden geknipt door een dwarse opening te maken. In de
borstholte zijn de longen en het hart te vinden. In de buikholte
liggen doorgaans lever, maag, nieren, darmen. Pak met een pincet
een orgaan vast aan een bloedvat of andere uitloper (de long bv.
bij een luchtpijp) en knip het vrij. Spoel desgewenst steeds met
fysiologische zoutoplossing om het zicht niet kwijt te raken
door bloed. Van het verse bloed kan natuurlijk meteen een bloeduitstrijk gemaakt worden. Snijdt met een nieuw scalpelmes de gewenste stukken
uit de organen. Doe dit niet met een schaar, want dan wordt het
weefsel kapot geknepen. Breng de stukken orgaan onmiddellijk
over in een fixeeroplossing, om verder verval te voorkomen. Van
belang is dat er verschillende kleine potjes met fixeer gereed
staan. Doe geen twee orgaansoorten in één potje want na fixatie
is het verschil nauwelijks meer zichtbaar omdat bijna alle
weefsels een grijsbruine tint aannemen. Etiketteer alles met
weefselsoort en datumtijdgroep. Vergeet niet de werktafel en
gereedschappen grondig schoon te maken en met een
ontsmettingsmiddel (bv. ethanol, spiritus) te ontsmetten.
Nadat een orgaan is genomen moet het zo snel mogelijk in
fixeervloeistof
worden gebracht. Om
alle weefsels overzichtelijk te fixeren kan gebruik worden
gemaakt van fixeercassettes. Op deze cassettes kan met een
watervaste stift een beschrijving worden aangebracht. Deze
stap is noodzakelijk, omdat na het fixeren de meeste
weefsels slecht herkenbaar worden (alles wordt bruin en
lijkt op elkaar).
Bronvermelding:
1 Theorie: Prof. Dr. Peter Böck (1989, 17., neubearbeitete
auflage),
Romeis Mikroskopische Technik,
München. Verleger Urban & Schwarzenberg.
Hoofdstuk 4, 'Fixierung
histologischer Präparate'.
2. Fixeren
Waarom fixeren? Met fixeren (vastleggen) stoppen we de
ingewikkelde stofwisselingsprocessen en voorkomen verder verval
van het weefsel. Het doel van fixeren is het op een zo identiek
mogelijke manier vastleggen van de structuur die het weefsel had
toen het nog in leven was. Weefsels invriezen is hier geen optie
omdat levend weefsel uit ongeveer 80% water bestaat en daardoor
alle cellen zouden barsten (water zet immers uit bij
bevriezing) en door vorming van ijskristallen snijden de scherpe
kristallen
dwars door de structuur van de cel heen. Met bijzondere technieken
kunnen wel vriescoupes gemaakt worden maar dit zal hier niet
behandeld worden. Een chemische ingreep is dus noodzakelijk. Om de
fixeervloeistof de kans te geven om goed en zo snel mogelijk in
te werken is het van belang dat de weefselstukken niet te groot
zijn. Blokjes van 4 tot 8 mm zijn goed te fixeren of een plakje
van een paar millimeter dik en dat mag rustig 2 of 3 centimeter lang
zijn. Ook is het beter om het
weefsel in de fixeervloeistof te hangen in plaats van op de
bodem te laten liggen. Dit is te realiseren door gebruik te
maken van cassettes of een plukje watten onder in het potje te
leggen waar het weefsel op komt te liggen. Het doel is in elk geval
om de fixeervloeistof kans te geven om van alle kanten zo snel
mogelijk het weefsel binnen te laten dringen. Een manier om deze
snelheid te verhogen is om weefsel (met name de grotere stukken)
warm voor te fixeren tussen de 35-40°C en daarna verder koud te fixeren¹. Een groot nadeel van fixeren is dat het
weefsel krimpt of juist zwelt. Ervaring leert dat hoe meer water
een weefsel bevat, hoe groter de volumeverandering zal zijn. De
krimp kan zo groot worden dat de epitheellaag van het
onderliggend bindweefsel scheurt. Ook latere behandelingen zoals
dehydrateren leidt meestal tot weefselkrimp. In totaal kan de
krimp wel tot 20 tot 25% van de oorspronkelijke grootte oplopen.
Er bestaan vele soorten fixatievloeistoffen die allen hun eigen
voor- en nadeel hebben. De keuze van het soort fixatief is
afhankelijk van: welke structuur heeft het weefsel, wat willen
we in een preparaat zien en welke kleurmethode gaan we
toepassen. Zo slaan alcoholen en aceton eiwitten goed neer door
dehydratie en denaturatie, maar nucleïnezuren blijven na
behandeling in water oplosbaar, lipiden worden zelfs opgelost en
het weefsel krimpt sterk. Azijnzuur doet het weefsel zwellen en
slaat nucleïnezuren goed neer. Trichloorazijnzuur precipiteert
(een vaste stof uit een vloeistof laten bezinken door toevoeging
van een reagens) eiwitten en nucleïnezuren goed. Picrinezuur
ook, maar heeft tevens de neiging om nucleïnezuren te
hydrolyseren (splitsen). Kwik en chroom kunnen crosslinks in
eiwitten maken. De werking van formaldehyde kan worden
beschreven als het leggen van waterstofbruggen binnen en tussen
eiwitmoleculen. Om ervoor te zorgen dat het fixatief zo weinig
mogelijke nadelige invloeden op het weefsel heeft zijn er naast
de enkelvoudige stoffen verschillende combinatie fixatieven
ontwikkeld. Hieronder enkele voorbeelden van veel
gebruikte fixatieven.
- Ethylalcohol of Ethanol¹ is een fixatief dat snel inwerkt
maar abrupt het
water uit het weefsel verdrijft. Het is geschikt
voor kleine stukjes weefsel (3-4 mm dikte is in 2-4 uur gefixeerd). De krimp is groot en
de buitenzijde van het weefsel wordt snel hard en is ongunstig
voor het latere coupe snijden. De samenstelling van eiwitten
wordt door ethanolfixatie niet aangetast. In eiwitten ingesloten
stoffen zoals slijm en glycogeen blijven intact. Lipiden (vet)
en hemoglobine (rode kleurstof van erytrocyt) worden wel
uitgespoeld. Ethanol wordt soms toegepast bij een bloeduitstrijk
maar hoofdzakelijk in de plantkunde.
- Formaldehyde¹ is een stekend ruikend gas dat zich goed in
water laat oplossen. De oplossing in water wordt formaline genoemd
en bevat 37-40% formaldehyde (syn. formol)(vroeger heette het nog wel eens ‘sterk water’).
De oplossing penetreert het weefsel goed en is ook geschikt om
wat grotere stukken te fixeren. In tegenstelling tot alle andere
fixatieven kan een stukje weefsel in formaline enkele maanden
verblijven zonder dat de structuur duidelijk verandert. Willen
we weefsel langer bewaren dan is het raadzaam om aan het
formaline een klein brokje marmer toe te voegen. De reden
hiervoor is dat onder invloed van zonlicht en stoffen die uit
het weefsel trekken er spontaan mierenzuur gaat ontstaan.
Als fixatief wordt meestal een concentratie van 4%
formaldehyde (formol) in water gebruikt. Kijk op
oplossingen voor een handige tabel.
- Zenker¹ is een combinatiefixatief die bestaat uit:
Sublimaat (kwikzilver 2 chloride),
kaliumbichromaat,
natriumsulfaat,
ijsazijn en
gedestilleerd water. Kijk op
oplossingen maken voor de juiste mengverhoudingen. Enkelvoudig
sublimaat laat het cytoplasma sterk krimpen maar in verbinding
met formaline, ijsazijn, trichloorazijnzuur of chroomzouten telt
het tot een van de meest gebruikte fixatieven. Een nadeel van
dit fixatief is dat er altijd een neerslag van kwikzilver
ontstaat die uit het preparaat moet worden weggehaald. Na fixatie in Zenker
is het preparaat voor veel kleurstoffen uitstekend toegankelijk
en bij sommige kleuringen, b.v. Mallory of AZAN, zelfs noodzakelijk.
- Bouin¹ is een combinatiefixatief
dat bestaat uit: Picrinezuur, formol en ijsazijn. Dit fixatief wordt
veelvuldig gebruikt en is uitstekend geschikt voor
overzichtskleuringen, cytologische studies en embryo's. Vetten
worden niet bewaard. De krimp bedraagt slechts 2,5%. De fixeertijd
bedraagt tussen de 2 en 24 uur afhankelijk van de grootte van het
weefsel. Groot voordeel van dit fixatief is dat het weefsel er
maanden in kan blijven zonder dat het weefsel er schade van
ondervindt. De meeste preparaten op deze site zijn dan ook met Bouin
gefixeerd. Het kan kant en klaar aangeschaft worden maar is ook goed
zelf aan te maken. Bij oplossingen is de mengverhouding op te
zoeken.
- Stieve¹ is een combinatiefixatief
dat bestaat uit: Sublimaat (kwikzilver 2 chloride),
formol
en ijsazijn. Het dringt zeer snel in het weefsel en is daarom ook
geschikt voor het fixeren van grotere stukken weefsel. Na fixatie
wordt het weefsel rechtstreeks in 96% ethanol gelegd zonder de
gebruikelijke lagere ethanolreeks. In plaats van ijsazijn kan men
ook gebruik maken van trichloorijsazijn.
- Susa volgens Heidenhain¹
is een
combinatiefixatief die gemaakt kan worden uit twee houdbare
voorraadoplossingen. Het bestaat uit: Sublimaat (kwikzilver 2
chloride), formol, ijsazijn, zout, trichloorijsazijn en water. Het
mengsel dringt uitstekend in het weefsel. Fixatietijd tussen de 1 en
24 uur. Na fixatie wordt het weefsel in 90% ethanol gelegd die
meerdere malen moet worden ververst. Een nadeel van dit fixatief is
dat er altijd een neerslag van kwikzilver ontstaat die uit het
preparaat moet worden weggehaald.
De fixeerduur is sterk afhankelijk van: het gebruikte
fixatief, het soort weefsel en de temperatuur van het fixatief. De
meeste preparaten die op deze website worden beschreven zijn met
formaldehyde, Zenker of Bouin gefixeerd. De duur varieert tussen een
paar dagen tot ongeveer een week. De gebruikte fixeertijden zijn in
alle preparaten genoemd en gedeeltelijk empirisch vastgesteld. Zo
zal een stukje sponzig longweefsel een kortere fixeertijd nodig
hebben dan het veel vastere leverweefsel. Wil men b.v. een
pasgeboren muis in zijn geheel fixeren dan is het raadzaam om het
dier aan de zijkanten in te snijden. Een paar kleine incisies door
de huid is voldoende. De extremiteiten kunnen ook worden verwijderd
zodat ook daar de fixeervloeistof naar binnen kan dringen.
 
Afb 1, Kop van een pasgeboren muis dat enkele uren
warm is
Afb 2, Lengtedoorsnede 1 dag oude muis
voorgefixeerd met Bouin
 
Afb 4, Twee
muisembryo's 16 dagen oud, gefixeerd met Bouin
Afb 3,
Met Bouin gefixeerde muis foetus
 |